Wachtwoord vergeten

Wet-en regelgeving

Introductie

Als psychotherapeut heeft u te maken met diverse wetten en regels. In dit dossier zetten we de belangrijkste informatie voor u op een rij.

Klik hier voor meer informatie over:

  • -Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)
  • -Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)
  • -Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)
  • -Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
  • -Wet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)
  • -Zorgverzekeringswet
  • -Jeugdwet
  • -Beroepscode voor psychotherapeuten
  • -GGZ richtlijnen
  • -Overleg met en rapportage aan huisarts

Achtergrond

Klik hieronder op meer informatie

Wetten

Regels
 

 


Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)

De belangrijkste wet voor de beroepsuitoefening in de gezondheidszorg is de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), een kaderwet, die de grote lijnen aangeeft.

Doel van de wet: de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorg te bevorderen en te bewaken en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenaren.
Daarom staan er in de wet bepalingen over zaken als:
- titelbescherming
- registratie
- herregistratie
- voorbehouden handelingen
- tuchtrecht.

Artikel 3
Het beroep psychotherapeut is, net als de gezondheidszorgpsycholoog, arts en tandarts een artikel 3 beroep. Deze beroepen hebben een wettelijk beschermde beroepstitel; moeten zich (her)registreren in het BIG-register en vallen onder het tuchtrecht.

Opleiding
Voor het beroep psychotherapeut zijn de opleidingseisen neergelegd in het Besluit psychotherapeut (maart 1998).
Dit besluit is door de (door de minister aangewezen) erkende opleidingsinstellingen vertaald in het curriculum van de opleiding.

Alleen degenen die zijn ingeschreven in het BIG-register Psychotherapeut mogen de beroepstitel psychotherapeut voeren.
Registratie vindt alleen plaats met het diploma van een opleiding die aan bepaalde eisen voldoet. Bovendien geldt per beroep, een omschrijving van het specifieke deskundigheidsgebied.

Bij het BIG-register kunt u nagaan of een beroepsbeoefenaar geregistreerd is en of hem door een tuchtcollege beperkende maatregelen zijn opgelegd.


Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)

De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) regelt de relatie tussen patiënt (of zijn wettelijke vertegenwoordiger) en de hulp- of zorgverlener. In het algemeen komt een behandelingsovereenkomst tussen hulpverlener en patiënt tot stand bij de eerste intake.

De patiënt is opdrachtgever tot zorg, hetgeen gedefinieerd wordt als: onderzoek, het geven van raad en handelingen op het gebied van de geneeskunst, die het doel hebben iemand van een ziekte te genezen, ziekte te voorkomen of de gezondheidstoestand te beoordelen, of het verlenen van verloskundige bijstand.

De WGBO is dwingend recht, dat wil zeggen dat hulpverleners (of hulpverlenende instanties) en patiënten onderling geen afspraken kunnen maken die in strijd zijn met de WGBO.

Deze wet heeft niet alleen betrekking op volwassenen. Er zijn ook de rechten in vastgelegd van minderjarigen en meerderjarige wilsonbekwamen als patiënt.

Rechten van de patiënt

Plichten van de patiënt

  • -de patiënt informeert de hulpverlener zo goed mogelijk en verleent uw medewerking die nodig is voor een goede zorgverlening;
  • -de patiënt moet de hulpverlener of zorginstelling betalen.

Rechten en plichten van de hulpverlener

  • - De belangrijkste plicht van een hulpverlener is het verlenen van goede zorg;
  • - Een hulpverlener heeft daarbij het recht om zijn eigen beslissingen te nemen. Hij hoeft niet zonder meer te doen wat een patiënt of diens vertegenwoordiger hem vraagt. Als een hulpverlener van mening is dat een bepaalde behandeling onredelijk of medisch niet noodzakelijk is, mag hij weigeren deze uit te voeren;
  • -De hulpverlener laat zich bij nemen van zijn beslissingen leiden door zijn eigen deskundigheid en professionele standaarden die gelden voor de beroepsgroep.

Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)

De de overheid heeft wettelijk vastgelegd wat 'goede zorg' inhoudt. En wat er moet gebeuren als mensen een klacht hebben over de zorg. Dit staat in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).

De Wkkgz geldt voor alle zorgaanbieders. Zowel voor zorginstellingen als vrijgevestigde hulp- of zorgverleners. De Wkkgz geldt niet voor aanbieders van jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet.

In de Wkkgz wordt onder meer geregeld:

  • -Een betere en snelle aanpak van klachten
    Mensen kunnen gratis terecht bij de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder. Uit de praktijk blijkt dat een goed gesprek tussen de cliënt en de zorgverlener het beste werkt. De klachtenfunctionaris kan zo’n gesprek op gang brengen. Lost een gesprek het probleem niet op? Dan kan de cliënt een rechtszaak aanspannen. Maar de wet biedt ook een laagdrempelig alternatief: de onafhankelijke geschilleninstantie. Die doet een uitspraak waar beide partijen zich aan moeten houden. De geschilleninstantie kan ook een schadevergoeding toekennen.
  • -Zorgmedewerkers kunnen veilig incidenten melden
    Medewerkers moeten voorvallen kunnen melden. Zorgaanbieders moeten een interne werkwijze hebben die dit regelt, ze mogen zelf bepalen hoe ze dit organiseren. Doel is dat collega´s het voorval met elkaar bespreken en ervan leren.
  • -Cliënt krijgt sterkere positie
    De cliënt heeft het recht op goede informatie als er in de zorgverlening iets niet goed is gegaan. De zorgaanbieder moet een fout met de cliënt bespreken en in het cliëntendossier opnemen. De cliënt heeft recht op informatie over de kwaliteit van de zorg wanneer hij daarom vraagt.
  • -Uitbreiding meldplicht zorgaanbieders
    Voortaan moeten zorgaanbieders alle vormen van geweld in de zorgrelatie melden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting. Net als ontslag van een zorgverlener wegens ernstig disfunctioneren.

In Wat u als zorgaanbieder moet regelen leest u in een aantal veel gestelde vragen, met antwoorden van de overheid.


Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Op 1 juli 2013 is de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in werking is getreden. Organisaties en zelfstandige zorgaanbieders zijn verplicht een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te hebben en adequaat gebruik daarvan te bevorderen. De meldcode bestaat uit een stappenplan voor professionals bij signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. Doel van de wet is om professionals te ondersteunen in een tijdige en effectieve aanpak van geweld in huiselijke kring.

Het hanteren van een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling geldt voor organisaties en zelfstandige beroepskrachten in de (jeugd)gezondheidszorg, het onderwijs, de kinderopvang, de jeugdzorg en de maatschappelijke ondersteuning en eveneens voor politie en justitie.

Meldcode versus meldplicht
Een verplichte meldcode is iets anders dan een meldplicht. Bij een meldplicht moet de professional zijn vermoeden van geweld altijd melden bij andere instanties. Die verplichting bestaat niet bij een meldcode. De beslissing om vermoedens van huiselijk geweld wel of niet te melden, neemt de professional op basis van het stappenplan.

Afwegingskader
Met de wijziging van de meldcode per 1 januari 2019 is een afwegingskader onderdeel van de verplichte meldcode. Het afwegingskader dat de door de beroepsgroepen, waaronder de NVP, is opgesteld, is te beschouwen als een professionele norm voor al dan niet doen van een melding.

Het basismodel van de Meldcode bestaat uit 5 stappen:

  • Stap 1: In kaart brengen van signalen;
  • Stap 2: Overleggen met een collega en en eventueel raadplegen van Veilig thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling);
  • Stap 3: Gesprek met de betrokkene(n);
  • Stap 4: Wegen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling. En bij twijfel altijd Veilig thuis raadplegen. (afwegingskader verplicht vanaf 1 januari 2019);
  • Stap 5: Beslissen aan de hand van het afwegingskader (afwegingskader verplicht vanaf 1 januari 2019):
    • Is melden noodzakelijk?
    • Is hulpverlening (ook) mogelijk?

Meer informatie
- Via deze link treft u de Meldcode van GGZ Nederland ‘over sommige patiënten moet je praten’ aan. In 2013 is deze brochure herzien in verband met de wettelijk verplichte kindcheck. Bij een kindcheck controleren professionals of er kinderen in een gezin zijn, of ze veilig zijn en/of hulp nodig is. Bijvoorbeeld als een ouder een psychische stoornis heeft of verslaafd is.

- Op de website van de KNMG is eveneens veel informatie, waaronder factsheets en een stappenplan, over dit onderwerp te vinden.


Wet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)

De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bevat aangescherpte privacyregels die vanaf 25 mei 2018 geldt voor alle maatschappelijke sectoren, waaronder de zorg. Deze wet vervangt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De NVP heeft een voorbeeld privacyverklaring opgesteld om vrijgevestigde leden een handreiking te bieden bij het voldoen aan verplichtingen die de AVG stelt.

De AVG is op onderdelen vooral een aanscherping en aanvulling op de Wbp. Daarom hierbij eerst uitleg over wat er met de AVG in elk geval niet verandert.  

Wat niet verandert
Met de AVG blijft de (inhoud van de) reeds bestaande zorgspecifieke wet- en regelgeving ongewijzigd. Dit betekent onder meer dat de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Wet toelating Zorginstellingen (WTZi), de Wet marktordening gezondheidszorg (de Wmg) en de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) onveranderd blijven.

Naast de AVG is er zorgspecifieke wet- en regelgeving voor de elektronische verwerking en uitwisseling van medische gegevens. Dit betreft de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (voorheen: Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg) en het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders. De zorgspecifieke regelgeving kent op een aantal onderdelen een strenger regime voor gegevensbescherming dan de AVG. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om regels over het beroepsgeheim en de mogelijkheden tot het verwerken van het BSN-nummer van patiënten.

Verplichtingen die hetzelfde blijven of minimaal zijn aangescherpt:

  • -Professionals zien er op toe dat de leverancier van de systemen en andere middelen waarmee persoonsgegevens worden verwerkt, standaard privacyvriendelijk zijn ingericht (privacy by default), en dat bij de selectie van nieuwe patiëntinformatiesystemen, administratiesystemen of andere middelen waarmee gegevens worden verwerkt rekening is gehouden met de privacyregels (privacy by design). Deze principes waren al van belang en worden expliciet verplicht onder de AVG.
  • -Patiënten dienen te worden geïnformeerd over de persoonsgegevens die over hen worden verwerkt. De AVG spreekt in dit kader van een ‘privacyverklaring van uw praktijk’ dat dient te worden overlegt of opgenomen op de website. Patiënten hebben het recht op inzage in hun persoonsgegevens, deze te laten aanvullen, corrigeren, verwijderen of af te schermen. De informatie die wordt verkregen valt onder het medisch beroepsgeheim.
  • -Daarnaast hebben patiënten het recht bezwaar te maken tegen de verwerking van bepaalde gegevens. U bent verplicht om binnen één maand aan te geven of, dan wel in hoeverre, u aan een dergelijk verzoek gaat voldoen.
  • -Zet uw gegevens niet zomaar in de ‘cloud’ en overleg goed met uw IT -leverancier over wie wanneer toegang hebben. Zie ook de praktijkgids Patiëntgegevens in de cloud van de Autoriteit Persoonsgegevens.
  • -Verlies, ongeautoriseerde toegang of diefstal van patiëntgegevens en andere inbreuken op de beveiliging van persoonsgegevens (datalekken) meldt u bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) binnen 72 uur na ontdekking en vaak ook bij patiënten.
  • -Ten slotte behoudt de AP de mogelijkheid om boetes op te leggen. Deze boete mag de AP onder de AVG direct opleggen en het maximum bedrag is verhoogd naar EUR 20.000.000,- of 4% van de wereldwijde jaaromzet.

Veranderingen
Er is met de inwerkingtreding van de AVG ook wat veranderd. In essentie zijn de nieuwe verplichtingen er vooral op gericht om:

  • -gegevens beter te beveiligen
  • -patiënten meer controle te geven over hun gegevens en
  • -professionals te stimuleren gericht beleid te maken op het gebruik en de verwerking van persoonsgegevens.

De belangrijkste veranderingen zijn:

  • Het (verplicht) instellen van een Functionaris voor de Gegevensbescherming (FG), deze persoon controleert of de privacywetgeving wordt nagekomen, geeft advies, maakt inventarisaties van de gegevensverwerkingen en houdt deze bij. Daarnaast is de FG contactpersoon voor zowel de Autoriteit Persoonsgegevens als patiënten. De FG brengt verslag uit aan de praktijk of instelling. Het is van belang dat de FG onafhankelijk kan handelen en deskundig is op het gebied van de wetgeving en de praktijk inzake gegevensbescherming. Eén FG kan door meerdere praktijken gezamenlijk worden ingeschakeld. De NVP biedt dit samen met P3Nl aan voor haar leden.
  • Het ondernemen van een Privacy Impact Assessment (PIA), met als doel vooraf de privacy risico’s van gegevensverwerking te brengen.
  • Een ‘verwerkingsregister’ wordt verplicht gesteld. Iedere praktijk of instelling is verantwoordelijk voor de naleving van de AVG en behoort dit aan te kunnen tonen (‘verantwoordingsplicht’). Dat gebeurt door een register bij te houden van de verwerking van patiëntgegevens. De hoofdregel dat er altijd een aanleiding moet zijn voor de verwerking van persoonsgegevens verandert niet.
  • Conform de WGBO zijn voor psychotherapeuten verplicht het dossier zodanig bij te houden (en te bewaren) dat de voortgang van de behandeling op adequate wijze kan worden gewaarborgd en de psychotherapeut, zo nodig, rekenschap over de behandeling kan afleggen. De verwerking van noodzakelijk voor de uitvoering van een wettelijke verplichting, zoals de dossierplicht (waarvoor een wettelijke bewaartermijn van 15 jaar geldt) en de uitvoering van de Zorgverzekeringswet.
  • Vanuit de Zorgverzekeringswet geldt een wettelijke plicht om de identiteit van een patiënt te controleren aan de hand van een geldig legitimatiebewijs en het BSN-nummer te noteren (zie ook https://www.sbv-z.nl/veelgestelde-vragen/zorgadministraties). Omdat er geen noodzaak is op grond van wetgeving om een bewijs daarvan (kopie identiteitsbewijs) te bewaren is het laatste op grond van de AVG niet toegestaan.Het recht om vergeten te worden geldt in principe niet voor medische dossiers. De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) biedt namelijk ruimte aan nationale wetgeving. Onder meer om uitzonderingen op het recht op vergetelheid te regelen.De via de NVP/P3NL ingeschakelde FG kan met betrekking tot bovenstaande adviseren.

Zorgverzekeringswet (Zvw)

In de Zorgverzekeringswet is er ruimte voor marktwerking en krijgen consumenten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars meer ruimte om zelf keuzes te maken. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Zvw. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is toezichthouder en controleert of verzekeraars zich houden aan de normen, regels en voorwaarden die zijn vermeld in de Zvw.

Eén van de kernpunten is dat  iedereen die in Nederland woont of werkt, verplicht is om een basisverzekering af te sluiten. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor het aanbieden van de basisverzekering en hebben een zorgplicht.
Dat houdt in dat alle verzekerden toegang moeten krijgen tot betaalbare en kwalitatief goede zorg. Zorgverzekeraars moeten voldoende zorg van goede kwaliteit inkopen.

Wanneer een zorgaanbieder, zoals een ggz-instelling, aangeeft dat er een wachtlijst is voor een bepaalde behandeling dan moet de verzekeraar bemiddelen en ervoor zorgen dat de verzekerde binnen een redelijke termijn en binnen een redelijke reisafstand geholpen kan worden bij een andere zorgaanbieder. Op dit vlak zijn binnen de Zvw duidelijke normen gesteld.Daarnaast moet deze zorg bereikbaar zijn, zeker als het gaat om spoedeisende hulp.

De basisverzekering dekt een groot aantal gezondheidsrisico’s, waaronder geestelijke gezondheidszorg:

  • -Generalistische basis GGZ (GB GGZ): diagnostiek en behandeling van mensen lichte tot matige niet-complexe psychische aandoeningen. Te denken valt aan gesprekken met een psycholoog of een internetbehandeling (e-health). Het kan ook gaan om mensen met stabiele chronische psychische problemen met een laag risico.
  • -Gespecialiseerde GGZ (SGGZ): diagnostiek en behandeling van (zeer) complexe psychische aandoeningen.
  • -Eerste 3 jaar verblijf in ggz-instelling.

Voor kinderen en jongeren tot 18 jaar met psychische problemen geldt een afwijkende wetgeving- en vergoeding: namelijk via de Jeugdwet.        

Vergoeding van psychotherapie door psychotherapeuten

  • -Alleen psychotherapeuten met een goedgekeurd kwaliteitsstatuut ggz kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van diagnostiek en behandeling in het kader van de Zorgverzekeringswet, mits er sprake is van verwijzing door de huisarts. In het kwaliteitsstatuut van de zorgaanbieder staat wie verantwoordelijk is voor de coördinatie van de zorg. Dit is de zogenoemde regiebehandelaar. In een vrijgevestigde praktijk zal de regiebehandelaar de patiënt doorgaans zelf behandelen. Bij de behandeling in een instelling wordt een behandeling vaak uitgevoerd door andere hulpverleners onder regie van de regiebehandelaar, die eindverantwoordelijk is voor de behandeling.
    Psychotherapeuten zijn bevoegd om op te treden als regiebehandelaar in zowel de generalistische basis ggz als gespecialiseerde ggz.
  • -In alle gevallen gaat dit wel ten koste van het wettelijk eigen risico. Het wettelijk verplichte eigen risico in 2018 is €385,- voor alle zorg uit het basispakket samen. Na aftrek van dit algemene eigen risico geldt bij gecontracteerde psychotherapeuten een volledige vergoeding; bij niet-gecontracteerde psychotherapeuten is er een aanzienlijk verschil in vergoeding tussen patiënten met een restitutiepolis (doorgaans vindt vergoeding plaats op basis van het ‘het gemiddeld gecontracteerde tarief’) en patiënten met een naturapolis (doorgaans vindt vergoeding plaats op basis van een gering percentage van ‘het gemiddeld gecontracteerde tarief’). Patiënten doen er goed aan vooraf navraag te doen bij de zorgverzekeraar.
  • -Er geldt een wettelijke verplichting tot controleren identiteit aan de hand van een geldig identiteitsbewijs en het in het dossier vastleggen van het BSN-nummer.
  • -Op de rekening (‘DBC-nota’) voor de zorgverzekeraar komt een korte vermelding van de diagnose te staan. Hierbij wordt uitgegaan van algemene noemers. Desgewenst kan de diagnose achterwege worden gelaten; hiervoor dient een formulier te worden ingevuld. Voor de berekening van tijd wordt de directe tijd (contacttijd) en indirecte tijd (o.a. voor verslaglegging) berekent, waarbij wordt uitgegaan van standaard tijdseenheden.
  • -Er kan een tarief voor ‘no show’ in rekening worden gebracht in geval van niet tijdig afmelden; hiervoor geldt geen vergoeding op basis van de Zorgverzekeringswet.
  • -Voor een aantal psychische problemen geldt geen vergoeding: behandeling van aanpassingsstoornissen, levensfaseproblemen, slaapstoornissen, specifieke fobie en zogenaamde V-codes (relatie-, werk en studieproblemen, rouw) wordt vanuit het basispakket niet meer vergoed. Door sommige verzekeraars zijn deze (beperkt) in het aanvullende pakket opgenomen. Consulten die vallen onder uw aanvullende verzekering tellen niet mee voor het eigen risico.
  • -Als uit de intake blijkt dat er geen sprake is van een DSM-diagnose die onder de verzekerde zorg valt, dan kan de intake (max. twee gesprekken) bij de verzekeraar gedeclareerd worden als 'onvolledige behandeling'. Eventuele vervolgsessies dienen dan door de patiënt zelf te worden betaald.

Jeugdwet

De Jeugdwet vervangt niet alleen de Wet op de jeugdzorg, die tot 2015 geldig was, maar ook de verschillende andere onderdelen van de jeugdzorg die onder de Zorgverzekeringswet (geestelijke gezondheidszorg voor jongeren) en de AWBZ (wat betreft zorg voor licht verstandelijk beperkte jeugd) vielen. Ook de jeugdbescherming en jeugdreclassering maken onderdeel uit van de wet.

De jeugdzorg is overgeheveld naar de gemeenten die zich in hun beleid moeten richten op:

  • -het inschakelen, herstellen en versterken van het probleemoplossend vermogen van kinderen en jongeren, hun ouders en sociale omgeving;
  • -het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van de ouders en de sociale omgeving;
  • -preventie en vroegsignalering;
  • -het tijdig bieden van de juiste hulp op maat;
  • -effectieve en efficiënte samenwerking rond gezinnen.

In de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid van de gemeenten uitgebreid met de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidzorg voor kinderen en jongeren (jeugd-ggz), zorg voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking (jeugd-lvb), ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), jeugdbescherming en jeugdreclassering.

De verantwoordelijkheid van de gemeenten bestaat onder meer uit:

  • -het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, scholen en kinderopvang;
  • -het voorzien in een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp;
  • -het adviseren over en het bepalen en inzetten van de aangewezen vorm van jeugdhulp;
  • -het adviseren van professionals met zorgen over een kind;
  • -het adviseren van kinderen en jongeren met vragen en problemen;
  • -het doen van een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming als een kinderbeschermingsmaatregel nodig is;
  • -het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van kinderen en jongeren;
  • -het voorzien in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen;
  • -het voorzien in maatregelen om kindermishandeling te voorkomen.

Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht. In de Jeugdwet staat dat de gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Indien dat nodig is treft de gemeente een individuele voorziening, die vaak betrekking zal hebben op meer gespecialiseerde zorg. Het is aan de gemeente om te bepalen welke hulp vrij toegankelijk is en welke hulp een individuele voorziening is. Als een gemeente heeft besloten dat een kind of zijn ouders een individuele voorziening nodig hebben, dan kunnen zij hier rechten aan ontlenen.

De 'Eerste evaluatie Jeugdwet', die op 30 januari 2018 is aangeboden aan de ministeries van VWS en JenV en aan de VNG, laat zien dat de beoogde transformatie naar een effectiever jeugdstelsel nog niet is gerealiseerd. Er worden geen aanbevelingen gedaan om de Jeugdwet te veranderen.


Beroepscode voor psychotherapeuten

Vanaf 1 mei 2018 geldt voor alle psychotherapeuten een nieuwe Beroepscode voor psychotherapeuten. De nieuwe beroepscode is een actualisatie van de code uit 2007 en wordt uitgegeven door de NVP

De beroepscode is een onmisbare leidraad voor het beroepsmatig handelen van iedere psychotherapeut. Onder beroepsmatig handelen wordt hier niet alleen verstaan het handelen in het kader van een professionele relatie in engere zin, maar elk optreden van de psychotherapeut in die hoedanigheid.


GGZ richtlijnen

Om de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren, wordt meer en meer gewerkt volgens richtlijnen. In Nederland wordt sinds 1999 samengewerkt om te komen tot betere richtlijnen in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Hierbij zijn vele beroepsgroepen betrokken én cliënten- en familieorganisaties.

De multidisciplinaire ggz-richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften. Het zijn zo veel mogelijk op bewijs gebaseerde inzichten en aanbevelingen voor zorgverleners, beleidsmakers en inhoudelijk adviseurs, om kwalitatief hoogwaardige zorg te verlenen en te waarborgen. De richtlijnen zijn geen standaard die in alle omstandigheden van toepassing verklaard kan worden..

Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de 'gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners, als zij dat nodig achten, op basis van hun professionele deskundigheid en autonomie afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, zelfs noodzakelijk. Als zorgverleners van de richtlijn afwijken, is het noodzakelijk dat zij dit onderbouwen, ook tegenover de patiënt, en documenteren.

Autorisatie
Om een zo groot mogelijk draagvlak te verkrijgen voor de toepassing van de richtlijn in de praktijk worden de multidisciplinaire richtlijnen ter ‘geldig verklaring' voorgelegd aan de beroepsverenigingen, nadat het binnengekomen commentaar op de concepttekst is verwerkt.

De NVP heeft de volgende multidisciplinaire richtlijnen geautoriseerd:

Alle richtlijnen zijn online beschikbaar via www.ggzrichtlijnen.nl.
 


Overleg met en rapportage aan de huisarts
(Landelijke samenwerkingsafspraken tussen huisarts, generalistische basis ggz en gespecialiseerde ggz)

De huisarts als al dan niet rechtstreeks betrokken zorgverlener
De geheimhoudingsplicht geldt niet ten opzichte van zorgverleners die rechtstreeks bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst betrokken zijn. Dit geldt ook voor vervangers van de psychotherapeut, bijvoorbeeld in het kader van een waarneemregeling. Huisartsen zijn rechtstreeks betrokken indien zij in het kader van de betreffende psychotherapeutische behandeling bijvoorbeeld medicijnen voorschrijven.

In veel gevallen zijn huisartsen, ook als zij verwijzer zijn, niet rechtstreeks bij de psychotherapeutische behandeling betrokken.
In dit geval is voor de ggz regelgeving van kracht over wanneer en over welke punten overleg met en rapportage aan de huisarts, op voorwaarde dat de cliënt (of wettelijke vertegenwoordigers) hiervoor toestemming geeft (geven).

Deze regelgeving (2016) is vastgelegd in het document Landelijke samenwerkingsafspraken tussen huisarts, generalistische basis GGZ en gespecialiseerde GGZ.
De rapportage betreft feitelijke informatie zoals contactgegevens regiebehandelaar, diagnose, behandeldoel, gekozen behandelmethode, frequentie behandelcontacten, herstel bereikt en/of nazorg gewenst.
De informatie dient te worden beperkt tot wat voor het doel van de informatieverstrekking noodzakelijk is (art. III.3.1.1 van Beroepscode voor psychotherapeuten).

 

Personen

[PLACEHOLDER_HIDE]

Dossiers

Veel gestelde vragen

  • Wat zijn de eisen aan de inhoud van een dossier?
    • Dossiervoering is een wettelijke verplichting, vastgelegd in de Wet op Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). Volledigheid van het dossier is tevens van belang voor het geval dat een andere hulpverlener de behandeling van een cliënt vanwege plotseling overlijden van de therapeut of om welke reden dan ook moet overnemen. Deze dient dan over voldoende gegevens te kunnen beschikken. In het dossier moeten in ieder geval de basisgegevens opgenomen worden. Bij een psychotherapeutische behandeling gaat het daarbij om de volgende zaken:
      - personalia en andere voor de behandeling relevante gegevens;
      - de verwijsbrief; 
      - de door de cliënt gepresenteerde hulpvraag;
      - de bevindingen van het klinische interview; 
      - (hetero)anamnese; - (structurele en descriptieve) diagnostiek;
      - gegevens over medicijngebruik; 
      - een door de cliënt geaccordeerd behandelplan, met daarin: 
      • een diagnose casu quo een duidelijke omschrijving van de problematiek of stoornis,
      • behandeldoel(en), de aanpak casu quo methode om tot het behandeldoel te komen, 
      • voorlopige frequentie van de afspraken en de te verwachten duur van de behandeling; 
      - afspraken die met de cliënt worden gemaakt (onder andere over afzeggen afspraken, de betaling, waarneemregeling, enzovoort); 
      - data afspraken (alsmede e-mail- en/of telefonisch contact tussendoor); 
      - verslaglegging voortgang en beloop van de behandeling ; 
      - eventuele latere wijzigingen van (onderdelen van) het behandelplan; 
      - aantekeningen van gesprekken en bevindingen van bij name genoemde andere hulpverleners die bij de behandeling zijn betrokken; 
      - informatieverstrekking: vermelden dat en wanneer er een duidelijke omschrijving is gegeven van de behandeling, informatie is gegeven over de eventuele wachttijd en doorlooptijd, de hoofdlijnen van de Beroepscode voor psychotherapeuten, de klachtenregeling, de kosten voor de cliënt, enzovoort;
      - door de cliënt gegeven instemming met de diagnose, toestemming voor uitvoering van het behandelplan, toestemming voor eventueel opvragen of verstrekken van informatie en toestemming voor verstrekken van wettelijk verplichte informatie aan de zorgverzekeraar in verband met de vergoeding op basis van de Zorgverzekeringswet; 
      - gegevens van tussentijdse evaluaties en eindevaluatie; 
      - gegevens over nazorg en verwijzing; 
      - afschriften van alle verzonden en ontvangen correspondentie met/over de cliënt.

  • Wat is een goede waarneemregeling en een regeling voor dossieroverdracht?
    • Een psychotherapeut met een eigen praktijk is wettelijk verplicht een waarneemregeling te treffen. Deze verplichting vloeit voort uit de plicht tot continuïteit van zorg en het kunnen uitoefenen van de wettelijke patiëntenrechten, zoals omschreven in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Vaak is het ook verplicht gesteld in de contracten van de zorgverzekeraars. Een waarneemregeling is er voor vakantieperioden maar bijvoorbeeld ook tijdens ziekte. In het rapport van de inspectie worden waarnemingsregeling en dossieroverdracht genoemd als ontwikkelpunten voor met name kleine praktijken.

      In het verlengde van de waarneemregeling moet een vrijgevestigde psychotherapeut schriftelijk regelen waar en door wie zijn dossiers bewaard worden, voor het geval hij door overlijden of een tijdelijke of blijvende absentie niet (langer) in staat is het dossier te beheren. Deze verplichting vloeit voort uit de bewaarplicht, de verantwoordelijkheid voor de continuïteit van zorg en de wettelijke patiëntenrechten, zoals vastgelegd in de WGBO. In die situatie moeten een of meer vakgenoten de professionele werkzaamheden overnemen dan wel afronden. Tegenover de cliënten en oud-cliënten houdt deze verantwoordelijkheid in dat zij worden geïnformeerd over: 
      1. het overlijden van de psychotherapeut of een andere reden van beëindiging praktijkvoering zonder dat de psychotherapeut hen daar zelf over heeft kunnen informeren. 
      2. de plaats waar hun dossiers zich bevinden en met wie zij daarover contact kunnen opnemen;
      3. tot wie zij zich kunnen richten om te kunnen worden doorverwezen voor voortzetting van de behandeling.

      Bij het aanschrijven van oud-cliënten moet eerst worden nagegaan of zij nog op het adres wonen dat in hun dossier is vermeld. De cliënten zullen in de gelegenheid gesteld moeten worden het dossier op te halen of (aangetekend) toegestuurd te krijgen en zelf te bewaren. Naast hun recht op inzage en afschrift kunnen zij ook kiezen voor een vernietiging van het dossier.

      Ook verwijzers, zorgverzekeraars, collega’s in de regio, de regionale inspectie en beroepsverenigingen moeten geinformeerd wrorden over de opvolging of de getroffen regeling inzake de dossiers. Wanneer een behandeling van een cliënt wordt voortgezet door een andere hulpverlener dient het dossier door de aangewezen vakgenoot – met toestemming van de cliënt – aangetekend per post te worden verstuurd aan de nieuwe behandelaar. De bewaarplicht van de vrijgevestigde psychotherapeut gaat dan over op de opvolger.

      Als de achterblijvende partner van de psychotherapeut de dossiers in een afgesloten kast bewaart, dient hij of zij een beroep te doen op de psychotherapeut die het beheer voert over het archief om de uitoefening van het inzagerecht te begeleiden. De voorkeur gaat echter uit naar een bewaarplaats in een professionele omgeving die recht doet aan de voorwaarden met betrekking tot het beroepsgeheim en beveiliging van de gegevens.

      Iedere vrijgevestigde psychotherapeut is zelf verantwoordelijk om tijdig maatregelen te treffen voor de continuering van zorg die een cliënt van hem mag verwachten. Als bij een overlijden niets vooraf is geregeld, dienen de achterblijvende partner of erfgenamen zich in te spannen om een vakgenoot – bijvoorbeeld de collega(e) met wie een waarneemregeling is getroffen of een collega uit de intervisiegroep – bereid te vinden om deze verantwoordelijkheid op zich te nemen.

  • Welke informatie moet ik rapporteren aan de huisarts?
    • Deze regelgeving (2016) is vastgelegd in het document Landelijke samenwerkingsafspraken tussen huisarts, generalistische basis GGZ en gespecialiseerde GGZ.

      Er zijn 2 situaties:

      -De geheimhoudingsplicht geldt niet ten opzichte van zorgverleners die rechtstreeks bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst betrokken zijn. Dit geldt ook voor vervangers van de psychotherapeut, bijvoorbeeld in het kader van een waarneemregeling. Huisartsen zijn rechtstreeks betrokken indien zij in het kader van de betreffende psychotherapeutische behandeling bijvoorbeeld medicijnen voorschrijven.

      - In veel gevallen zijn huisartsen, ook als zij verwijzer zijn, niet rechtstreeks bij de psychotherapeutische behandeling betrokken.
      In dit geval is voor de ggz regelgeving van kracht over wanneer en over welke punten overleg met en rapportage aan de huisarts, op voorwaarde dat de cliënt (of wettelijke vertegenwoordigers) hiervoor toestemming geeft (geven).


      De rapportage betreft feitelijke informatie zoals contactgegevens regiebehandelaar, diagnose, behandeldoel, gekozen behandelmethode, frequentie behandelcontacten, herstel bereikt en/of nazorg gewenst.
      De informatie dient te worden beperkt tot wat voor het doel van de informatieverstrekking noodzakelijk is (art. III.3.1.1 van Beroepscode voor psychotherapeuten).

TERUG